Annie: haar bronnen van inspiratie

(c) Robbert Kamphuis

(c) Robbert Kamphuis

‘Ik ben lekker stout’. De personages van Annie M.G. Schmidt durfden wat ik als braaf meisje niet durfde.

De schrijfster vierde het absurdisme met de tante en de oom die woonden in een eikenboom. Ze liet me zien dat niets vanzelfsprekend is, het zou een van mijn leidmotieven worden. Humor met een vleug weemoed. Die komen in mijn leven en werk terug. Dwarse kindertjes – ik wil niet in twee huizen wonen/niet klein zijn/niet op vakantie – spelen trouwens ook vaak een rol in mijn kinderboeken. Toch leer ik met ouder worden dat nee zeggen soms makkelijker is dan ja zeggen, meebewegen en verbinden.
Rutger Kopland is vaak mijn vertolker van de alledaagse weemoed, het gemis en verlangen. Zittend in de avondstilte onder de appelboom, mijmerend over wat was. Het niet droog houden bij de kwetsbaarheid en het leven-nog-voor-je van jonge sla. Een alledaags beeld dat mijn raam voorbijloopt: een zwarte vrouw met een zak aardappelen op haar hoofd. Hoe ver is Afrika? Het leven van alledag is al poëtisch genoeg. Dat is wat Judith Herzberg me ook leert. Katten die niet van koffers houden. ‘Afscheid vermijden zij door zelf de wijk te nemen’. Weglopers in mijn boeken, zowel kinderen  als volwassenen. En in dat weglopen, die stille schreeuw om liefde en aandacht.

Schoonheid en pijn
Mijn grote voorbeelden in de letteren, ze zijn talrijk. Maar ook is er de Bijbel, al deden wij als katholieken weinig aan bijbellezing. De verhalen die nog steeds  kunst en literatuur beïnvloeden, nog afgezien van de universele boodschap: probeer een goed mens te zijn. Huub Oosterhuis heeft mijn geloof van na de moederkerk woorden gegeven in een poëtische taal die over mij gaat en mijn plaats in deze ingewikkelde wereld van schoonheid en pijn. Ik kan mijn bewondering uitdrukken voor Marcel Proust, maar met zijn lange beschrijvingen in fraaie volzinnen heeft hij mijn schrijven niet beïnvloed. Eerlijk is eerlijk, wat daarbij een veel grotere rol heeft gespeeld, zijn de boeken die ik in mijn tienerjaren verslond: de Witte Ravenpockets. Nel van der Zee, Leni Saris, Cissy van Marxveldt en hun heldinnen: Map, Maud, Pit, de Jopopinoloukicoclub en Joop ter Heul. Soms wat astrante meiden die aan het eind toch altijd weer heur poppedijnen hoofdje vlijden tegen het corduroy colbertje van een pijprokende hunk. Mijn eerste jongerenboeken in de jaren 90 gingen over eigentijdse meiden die stevig hun eigen weg gingen en toch fietste ook daar altijd wel begeerlijk relatiemateriaal door het beeld.

Kleine prins
Maar een van mijn grootste voorbeelden blijft toch Antoine de Saint-Exupéry. In ‘Terre des hommes’ las ik lang geleden al een mission statement voor het leven. Vrij vertaald: Pas wanneer wij ons bewust worden van onze rol, hoe bescheiden ook, zullen wij gelukkig zijn. Want wat betekenis aan het leven geeft, geeft ook betekenis aan de dood.
‘De kleine prins’ van Saint-Exupéry is voor mij in al zijn eenvoud een meesterwerk. Het raakt aan alle thema’s van het leven, en van de dood. Bovendien is het een warm pleidooi om het kind in onszelf te koesteren en de verbeelding te vieren.

Ik ben schatplichtig aan vele reuzen, die mij even op hun schouders droegen om terug te zien en voorbij mijn eigen grenzen te kijken. Ik heb van ze geleerd, sta nu op eigen benen en kan met dankbaarheid zeggen: goed geaard reik ik naar de hemel.